Slide background

Autisme Praktijk Alice

Autisme Coaching

Acceptance and Commitment Therapy (ACT)

Creatieve Therapie

Waarom is een veilige hechting belangrijk?

Wanneer een kind een veilige hechtingsrelatie opbouwt met zijn ouders, vergroot dat de kans op een ongestoorde, met name sociale en emotionele, ontwikkeling. Ook bevordert een veilige hechting nieuwsgierigheid, leergierigheid en het toegeven aan de drang tot exploratie.

Mogelijke gevolgen van een onveilige hechting

Een kind dat weinig ervaring heeft met veilige, vertrouwde relaties en zich vaak onveilig voelt, kan onveilig gehecht raken. Hierdoor kan het zijn dat een kind later bijvoorbeeld:
-Moeite heeft met anderen vertrouwen;
-Minder neiging heeft tot exploratie;
-Een laag zelfbeeld ontwikkelt;
-Moeite heeft met interpretatie en het overzien van situaties;
-Minder goed begrijpt hoe de wereld werkt;
-Het gevoel heeft er alleen voor te staan en zich eenzaam voelt

Hechtingsstijlen

In de literatuur worden verschillende hechtingsstijlen genoemd. Bij een onveilige hechting tussen ouder(s) en kind kan er gedrag ontwikkeld worden bij het kind dat ze autistiform gedrag noemen. Het gedrag lijkt op autisme, maar de oorzaak is een onveilige hechting. In een diagnostisch onderzoek is het belangrijk dat dit goed wordt onderzocht. Vaak is dit moeilijk omdat een volwassenen coping strategieën heeft ontwikkeld. Een goed onderzoek centrum zal dit zeer nauwkeurig bestuderen. Het is ook mogelijk dat een kind met autisme onveilig is gehecht.

Hoe wordt een hechtingsrelatie opgebouwd?

De basis voor de hechtingsrelatie wordt gelegd in het eerste levensjaar en blijft het hele leven van belang. De wijze waarop kinderen zijn gehecht, wordt zichtbaar als de kinderen 12 á 15 maanden oud zijn. De basis van die hechtingsrelatie is mede afhankelijk van factoren, zoals:
-Kind factoren zoals een aangeboren afwijking, het temperament of een moeilijke start.
-Ouderfactoren zoals een depressie bij de ouder, postnatale stress, eigen jeugdherinneringen en rolmodellen.
-Omgevingsfactoren zoals het sociale netwerk of armoede.
De hechting van de ouders: een ouder die zelf een onveilige hechtingsrelatie heeft ervaren, zal meer moeite hebben een stabiele, veilige, relatie op te bouwen met zijn kind.

Factoren bij de ouder die de hechting kunnen belemmeren:

Mishandeling of verwaarlozing door de ouder
Opvoedingsonzekerheid en -spanning
Psychische en psychiatrische problemen
Verslavingsproblematiek
Langdurige ziekenhuisopname van de ouder

Factoren bij het kind die de hechting kunnen belemmeren:

Vroeggeboorte
Moeilijk temperament
Opvallende lichamelijke of verstandelijke beperkingen
Ziekenhuisopname op jonge leeftijd
Autisme
Adoptie

Autistiform gedrag

Op autisme-gelijkend gedrag. Kinderen met autistiform gedrag hebben problemen in de omgang met anderen. Dat is vooral het gevolg van een geringer vermogen om zich in de gedachtewereld en het gevoelsleven van de ander te verplaatsen. Het is voor de praktijk van belang onderscheid te maken tussen personen met autisme en personen met autistiform gedrag. Waar bij personen met autisme de volledige triade aan kenmerken aanwezig is, doet zich bij mensen met autistiform gedrag slechts een enkel kenmerk van autisme voor. Bij mensen met een verstandelijke beperking kan autistiform gedrag eveneens voorkomen.

Hechtingsstijlen

In de theorie van Ainsworth wordt onderscheid gemaakt tussen vier hechtingsstijlen:
1 Veilige hechting: er bestaat evenwicht bij het kind tussen nabijheid zoeken met de ouder en exploratie.
2 Vermijdende hechting (georganiseerd onveilig gehechtheidspatroon): er is minimaal contact tussen de ouder en zijn kind. Het kind vermijdt het contact met de ouder, omdat hij geleerd heeft dat de ouders hem structureel afwijzen, verwaarlozen of niet reageren.
3 Ambivalente hechting (georganiseerd onveilig gehechtheidspatroon): er is maximaal contact tussen de ouder en zijn kind. Het kind blijft dicht bij zijn ouder, omdat hij onzeker is over hoe en of de ouder reageert. De ouder stemt zijn gedrag vaak niet af op zijn kinderen, maar op zijn eigen behoeften. Je zult vaak mismatches zien die niet worden herkend of hersteld.
4 Gedesorganiseerde hechting (ongeorganiseerd en gedesoriënteerd onveilig gehechtheidspatroon): een kind voelt zich machteloos in het contact met zijn ouder en heeft geleerd dat het contact met zijn ouder onvoorspelbaar is en bij vlagen zeer beangstigend en zelfs gevaarlijk. Deze vorm van hechting is sterk gerelateerd aan ongunstige omstandigheden waarin het kind opgroeit en aan de ontwikkeling van psychopathologie. Deze kinderen hebben geen coping strategie om met separatie van de ouder om te gaan.
Als een kind aan één ouder onveilig gehecht raakt, hoeft dat niet te betekenen dat dat ook voor de andere ouder of verzorgers geldt. Kinderen kunnen namelijk bij verschillende verzorgers andere hechtingsstijlen ontwikkelen. In zo’n geval kan de ‘veilige’ ouder als een belangrijke beschermende factor dienen.

De mythe van de ijskastmoeders

De term ‘koelkastmoeder’ of ijskastmoeder werd vanaf de jaren 1940 gebruikt door medici en psychologen als etiket voor moeders van autistische kinderen. Deze moeders zouden een belangrijke rol spelen bij het ontstaan het ongewone gedrag van hun kinderen, dat hoofdzakelijk bestond uit starre rituelen, spraakproblemen en isolement.
De term, die in de jaren 1970 in onbruik raakte, gaf aan dat autistisch gedrag ontstond door de emotionele kilte van moeders bij de opvoeding. Als gevolg daarvan leden veel moeders van autistische kinderen van de jaren 1950 tot de jaren 1970 en later aan schuldgevoelens en twijfel aan hun vermogens het moederschap naar behoren te vervullen. Sinds de jaren zeventig zijn de meeste deskundigen van deze theorie teruggekomen.
Omstreeks 2005 kwam er toch weer enige nuancering in de afwijzing van de koelkastmoedertheorie. Kinderen die in een vroege levensfase individuele aandacht ontberen, zoals in een weeshuis soms het geval is, blijken bij onderzoek symptomen te kunnen ontwikkelen die sterk lijken op die van autisme.

Gedragingen bij een achterstand in de ontwikkeling van hechting (zonder autisme)

Voorbeelden:

  • Komt niet of nauwelijks vanuit zichzelf tot dagelijkse, emotionele en sociale situaties en gedragingen, of komt hier op een niet passende manier toe;
  • Zoekt steeds de nabijheid van de gehechtheidspersoon op of zoekt diens nabijheid juist niet op;
  • Hecht zich niet of enkel aan één persoon of hecht zich aan dieren of spullen
  • Ervaart bij een overlijden of scheiding weinig of juist extreme rouwgevoelens;
  • Voelt nog niet aan dat zijn gedragingen, gevoelens en emoties bij anderen veroorzaken;
  • Kan de basale gevoelens en emoties van naasten en anderen nog niet aanvoelen, hier rekening mee houden of er interesse in tonen;
  • Is sterk gericht op zichzelf en zijn eigen specifieke interesses;
  • Heeft een zeer sterke eigen wil en toont (hevige) weerstand of volharing bij belemmering hiervan;
  • Heeft moeite met veranderingen; is nog erg structuurafhankelijk;
  • Kan eigen gevoelens en emoties nog niet duiden, verwoorden en reguleren;
  • Ervaart dagelijks angst, stress, fysieke klachten, paniek, oververmoeidheid, weerstand en overprikkeling;
  • Voelt zich niet veilig bij onbekende en minder bekenden; heeft nog moeite om de interactie aan te gaan (tenzij er sprake is van gezamenlijke interesses);
  • Kan andermans verwachtingen, bedoelingen en intenties nog niet inschatten

Gedragingen bij kinderen met autisme zonder hechtingsproblematiek:

Voorbeelden:

Gedragingen bij kinderen met autisme zonder hechtingsproblematiek:
Voorbeelden:

  • Komt niet of nauwelijks vanuit zichzelf tot dagelijkse, emotionele en sociale situaties en gedragingen, of komt hier op een niet passende manier toe;
  • Zoekt steeds de nabijheid van de gehechtheidspersoon op of zoekt diens nabijheid juist niet op;
  • Hecht zich niet of enkel aan één persoon of hecht zich aan dieren of spullen
  • Ervaart bij een overlijden of scheiding weinig of juist extreme rouwgevoelens;
  • Voelt nog niet aan dat zijn gedragingen, gevoelens en emoties bij anderen veroorzaken;
  • Kan de basale gevoelens en emoties van naasten en anderen nog niet aanvoelen, hier rekening mee houden of er interesse in tonen;
  • Is sterk gericht op zichzelf en zijn eigen specifieke interesses;
  • Heeft een zeer sterke eigen wil en toont (hevige) weerstand of volharing bij belemmering hiervan;
  • Heeft moeite met veranderingen; is nog erg structuurafhankelijk;
  • Kan eigen gevoelens en emoties nog niet duiden, verwoorden en reguleren;
  • Ervaart dagelijks angst, stress, fysieke klachten, paniek, oververmoeidheid, weerstand en overprikkeling;
  • Voelt zich niet veilig bij onbekende en minder bekenden; heeft nog moeite om de interactie aan te gaan (tenzij er sprake is van gezamenlijke interesses);
  • Kan andermans verwachtingen, bedoelingen en intenties nog niet inschatten.


    https://www.ncj.nl/themadossiers/hechting/aandacht-voor-hechting/hechtingstheorie/


Wat zijn de verschillen en overeenkomsten tussen ASS en hechtingsstoornissen bij kinderen?

Deze verschillen zijn er nauwelijks. Uitgaande van de DSM 5 zijn er verschillen. Met name als je kijkt naar het domein B. Bij kinderen met hechtingsproblematiek zie je in mindere mate de overgevoeligheid voor zintuigelijke prikkels en minder het hardnekkig (star, zwart/wit denken) zoals vaker te zien is bij kinderen met autisme zonder hechtingsproblematiek. Ook zie je bij kinderen met autisme zonder hechtingsproblematiek vaker de intense focus op bepaalde onderwerpen of interesses.
De overeenkomst tussen beide groepen ligt met name in de achterstand in het sociaal en emotioneel functioneren.

DSM 5 Autisme Spectrum Stoornis

In het eerste domein (A) moet aan alle criteria worden voldaan,
in het tweede domein (B) moet aan twee van de vier criteria worden voldaan

A
Beperkingen in de sociale communicatie

1. Beperkingen in de sociaal-emotionele wederkerigheid
2. Beperkingen in de non verbale communicatie
3. Beperkingen in het ontwikkelen, handhaven en begrijpen van sociale relaties

B
Beperkte, repetitieve gedragspatronen, interesses of activiteiten

1. Stereotiepe of repetitieve motorische bewegingen, gebruik van voorwerpen of spraak.
2. Hardnekkig vasthouden aan hetzelfde, inflexibel gehecht zijn aan routines of geritualiseerde patronen van verbaal of non-verbaal gedrag.
3. Zeer beperkte, gefixeerde interesses die abnormaal intens of gefocust zijn.
4. Hyper- of hyporeactiviteit op zintuiglijke prikkels of ongewone belangstellingen voor de zintuiglijke aspecten van de omgeving

C
De beperkingen moeten aanwezig zijn in de vroege kindertijd.

D
De symptomen veroorzaken klinisch significante beperkingen op sociaal, beroepsmatig of andere belangrijke gebieden van het huidige functioneren.

E
De symptomen kunnen niet verklaard worden door een verstandelijke beperking of door een algemene ontwikkeling achterstand verstandelijke beperking en ASS komen dikwijls gezamenlijk voor.

De criteria in DSM-5 voor de diagnose hechtingsstoornis zijn:

A
Verstoorde en niet aan de ontwikkeling aangepaste sociale relatievormen, optredend voor het 5e jaar en duidelijk zichtbaar in: een voortdurend mislukken om op een aan de leeftijd aangepaste wijze sociale interacties te stellen of erop te antwoorden, zoals duidelijk door overdreven geremde, over alerte of erg ambivalente en tegenstrijdige reacties;
een gebrek aan duidelijke bindingen, wat blijkt uit een onvermogen om in sociale relaties een onderscheid des persoons te maken, met een duidelijk onvermogen om op die verschillende personen passend te reageren.
B
De stoornis mag niet te wijten zijn aan een algemene ontwikkelingsstoornis zoals een mentale handicap, of een symptoom zijn van een pervasieve ontwikkelingsstoornis zoals het autisme.
C) Er moeten sporen zijn van een vroegkinderlijke verwaarlozing: voortdurende veronachtzaming van emotionele basisbehoeften (koestering, troost, aanmoediging van het kleine kind); verwaarlozing van de fysieke basisbehoeften (verzorging, voeding); herhaaldelijke wisseling van basisverzorgers, waardoor geen stabiele hechtingen mogelijk waren.
D) Men mag veronderstellen dat de verwaarlozing onder punt c verantwoordelijk is voor het gestoorde gedrag, dat ook volgde op die verwaarlozing.
‘De stoornis mag niet te wijten zijn aan een algemene ontwikkelingsstoornis zoals een mentale handicap, of een symptoom zijn van een ontwikkelingsstoornis zoals autisme.’

Uit de literatuur:

*Mensen met autisme kunnen zich hechten (Rutgers, Van IJzendoorn en Van Berckelaer-Onnes, 2005) •

*Vertraging in de ontwikkeling van de hechting (IJzendoorn, 2007)

*Maar kans op verstoorde hechting is aanzienlijk hoger bij iemand met een verstandelijke beperking en autisme (50%) ‘Fragiele hechting’ (Marc Serruys, 2015) •

*De ontwikkeling van de gehechtheidsrelaties, hun sociale en hun emotionele ontwikkeling loopt over het algemeen achter bij mensen met autisme (Loekemeijer, 2015)

Samengevat:

Mensen met autisme kunnen zich hechten
Bij ernstiger autisme en lager het IQ, hoger risico
De ontwikkeling van veilige hechting is trager en minder vanzelfsprekend, omdat er meer gevaren zijn
Autisme brengt op zichzelf een risico op onveilige hechting met zich mee.
Het is niet te voorspellen hoever de veilige hechting reikt.
Onveilige hechting is nadelig voor het autisme.
 (Falende) regulatie van affect spelen bij autisme en hechting een rol en beïnvloeden bij beide de ontwikkeling negatief
Kinderen die onveilig zijn gehecht kunnen gedrag ontwikkelen dat lijkt op autisme. Dat zien we vooral terug in de achterstand van de sociaal en emotionele ontwikkeling. Kinderen met autisme hebben ook een achterstand in de sociaal en emotionele ontwikkeling. Het zijn kinderen die opvallen in de groep of in de klas vanwege hun gedrag. Ze reageren niet leeftijd adequaat op leeftijdsgenoten en leerkrachten. Bij onrust in de klas of bij veranderingen worden ze bijvoorbeeld heel onrustig met verbale en/of fysieke agressie. Sommige kinderen trekken zich juist stil terug of zijn angstig. Vaak tot ze thuis komen en daar moeten ze ont prikkelen. Zoals bij elke diagnose past niet elk kind precies in het labeltje. Er zijn altijd verschillen en uitzonderingen. In de praktijk zie ik vaak dat jonge kinderen met autisme bang zijn en deze gevoelens niet onder woorden kunnen brengen. Een kind dat onveilig is gehecht (maar zonder autisme) heeft ook vaak veel angsten die het niet kan benoemen. Toch is het verschil tussen autisme en een onveilige hechting vaak wel te zien in de details. De manier van benaderen blijft hetzelfde. Deze kinderen zijn gebaat bij structuur en voorspelbaarheid gedurende de hele dag. Veel samen spelen en praten met deze kinderen is belangrijk. Probeer altijd te achterhalen waar de angst (van dat moment) vandaan komt. Zoek oplossingen. Begrenzen is nodig omdat dit structuur en voorspelbaarheid geeft.

Eigen ervaring

Tijdens mijn diagnose traject is er veel aandacht gegeven aan mijn kinderjaren. Ik was de jongste van tien kinderen. Mijn moeder was altijd overbelast toen de kinderen nog klein waren. Toen ik drie jaar oud was moest ze naar een rusthuis. Voor mij is dat een traumatische ervaring geweest omdat ik erbij was toen ze overstuur mee moest van de dokter. Van haar thuiskomst weet ik niets meer. Gedurende mijn kinderjaren was ik altijd op zoek naar haar, maar had het idee dat ik haar niet kon vinden en dat ze mij dus niet wilde. Zo denken kinderen als ze iets niet begrijpen en er niet over gepraat wordt. Mijn oudere broer verongelukte toen ik zes jaar was. In het gezin heeft dit diep doorgewerkt, maar er werd nauwelijks over gesproken. In die tijd ontwikkelde ik een dwangstoornis die destijds niet als dusdanig is herkend. Ik kon niet verwoorden dat ik bang was voor de dood of dat ik mij schuldig voelde aan de dood van mijn broer omdat ik niet verdrietig was geweest (dat was eigenlijk een normale reactie voor een kind van 6 jaar). Het ongeluk en de begrafenis en de veranderingen in het gezin hebben veel met mij gedaan, maar er werd niet over gesproken. Als kind heb ik veel spanningen en angsten gehad, maar ze werden niet of nauwelijks opgemerkt door de omgeving. Op school deed ik het niet zo goed en met leeftijdgenootjes kon ik mijn weg niet vinden. Volgens het team van het diagnose traject was ik onveilig gehecht. Was mijn gedrag dan autistiform? Al die jaren tot ver in de volwassenheid? Mijn eerdere gekregen (foute) diagnosen hadden die daar mee te maken? Ik kreeg Borderline PS (23 jaar) en schizoïde PS (35 jaar). Mijn leven was altijd een gevecht geweest om te overleven tot aan de diagnose ASS in 2011. Had ik wel echt ASS gezien de onveilige hechting? Volgens het onderzoeksteam was er ASS aanwezig vanaf de geboorte, maar is het versterkt door de onveilige hechting. Als er geen onveilige hechting was geweest dan was misschien de ASS misschien minder opgevallen. Dat zal ik nooit weten. Daarom is het voor een kind met autisme zo belangrijk dat er een veilige hechting is. In ons grote gezin dat leefde met een trauma was er geen plek om de sociale en emotionele ontwikkeling te bevorderen. Mijn vader was daar al helemaal niet goed in om emoties te delen (vermoeden van autisme) en moeder was te overbelast en zelf bezig met overleven. Hun gedrag past echter ook in de generatie van toen en de grote gezinnen. Wat ze wel hebben gedaan is heel hard werken om het gezin zo goed mogelijk te laten functioneren en daar ben ik ze dankbaar voor. Hierdoor is de schade beperkt gebleven. Ik verwijt ze dan ook niets, maar ben dankbaar voor wat ze wel hebben kunnen geven.

Autisme heb je of je hebt het niet. Het is zeker geen pretpakket. Integendeel. Inmiddels heb ik veel geleerd en ben ik mij sociaal en emotioneel beter gaan ontwikkelen na de diagnose autisme. Bij het ouder worden wordt autisme milder. Dat ervaar ik ook zo. Het is ook logisch. Door ervaringen leer je en ook mensen met autisme ontwikkelen zich. Rationeel heb ik nooit een achterstand gehad. Ik kon heel goed alles beredeneren en analyseren en dat heeft mij enorm geholpen om door moeilijkheden heen te komen. Deze ervaringen heb ik geschreven in mijn boek “Alice verdwaald in het land van de hulpverlening”. Dit boek kunt u bij mij bestellen voor € 13,-.  Ik ben vaak cliënt geweest en heel vaak teleurgesteld in de hulpverlening die niet bij mij aansloot. In 2011 had ik het geluk een hulpverlener te ontmoeten die mij enorm vooruit heeft geholpen. Dat proces duurde acht jaar. Doordat de diagnose zo laat kwam was er veel “nevenschade” ontstaan.  Dat is nu volledig opgeruimd. Ik voel me sterk en krachtig en mijn stukje autisme mag er gewoon zijn.

Bronnen

ADAut = attachment development autism
https://www.yvonneloekemeijer.com/loekemeijermethode/#wetenschappelijkonderzoek

De Loekemeijermethode
https://www.yvonneloekemeijer.com/loekemeijermethode/#wetenschappelijkonderzoek

Basic Trustmethode
https://www.nji.nl/nl/Databank/Databank-Effectieve-Jeugdinterventies/Erkende-interventies/Basic-Trustmethode

De Basic Trustmethode is een kortdurende interventie voor kinderen van 2 t/m 12 jaar met (ernstige) gedrags- en/of emotionele problemen en hun (professionele) opvoeders, waarbij tevens sprake is van problemen in de gehechtheidsrelatie. De hulpverlening bestaat uit acht tot twaalf sessies waarin – met behulp van videofeedback – wordt gewerkt aan het terugdringen van de problemen door middel van versterking van de gehechtheidsrelatie

Integratieve Therapie voor Gehechtheid en Gedrag (ITGG)
https://www.nji.nl/nl/Databank/Integratieve-Therapie-voor-Gehechtheid-en-Gedrag-(ITGG)

Integratieve Therapie voor Gehechtheid en Gedrag (ITGG) is een psychotherapeutische interventie voor kinderen tot 18 jaar met meervoudige beperkingen en ernstige gehechtheids- en gedragsproblemen waarbij eerdere interventies gericht op de dagelijkse begeleiding en leefsituaties niet effectief waren. Het programma wordt drie uur per week in de dagelijkse omgeving van het kind uitgevoerd en bestaat uit drie fasen: het opbouwen van een gehechtheidsrelatie, gedragstherapie waarmee gewenst gedrag wordt aangeleerd en generalisatie naar de dagelijkse omgeving. De totale behandelduur van ITGG kan oplopen tot een jaar.

NIKA
https://www.nji.nl/nl/Databank/Databank-Effectieve-Jeugdinterventies/Erkende-interventies/NIKA

NIKA richt zich op kinderen (en hun ouders) van 9 maanden tot 6 jaar die een verhoogd risico lopen op gedesorganiseerde hechting of signalen laten zien van verstoord hechtingsgedrag. Doel is het voorkomen of verminderen van gedesorganiseerde hechting. Tijdens gemiddeld vijf sessies wordt, met behulp van video feedback, psycho-educatie en huiswerkopdrachten, verstorend en beangstigend opvoedgedrag van de ouders afgeleerd en sensitief opvoedgedrag aangeleerd.