Slide background

Autisme Praktijk Alice

Autisme Coaching

Acceptance and Commitment Therapy (ACT)

Creatieve Therapie

Autisme: vrouwen en mannen


M.Pijler acryl schilderij “in blijde afwachting”

Inleiding

Hoewel harde cijfers over de prevalentie van diagnoses bij volwassenen nu en vroeger ontbreken, zowel wereldwijd als voor België en Nederland, lijkt het er toch op dat er steeds vaker volwassenen de diagnose autisme krijgen. Er is wel gespeculeerd over de verklaring waarom er nu vaker de diagnose autisme wordt gegeven. Lundström e.a. (2015) hebben gesuggereerd dat het niet gaat om een vaker voorkomen van autismekenmerken, maar wel van het aantal klinische diagnoses.

Waarom vaker de diagnose gesteld wordt, kan te maken hebben met:
- enerzijds een grotere vertrouwdheid van artsen met de kenmerken van autisme,
- maar anderzijds ook veranderingen in de samenleving: er wordt nu een veel groter belang gehecht aan flexibiliteit en sociaal-communicatieve vaardigheden, waardoor personen met autismekenmerken sneller opvallen en problemen ervaren in hun dagelijks functioneren (Taskforce Autisme 2016).

Volwassenen krijgen vaker een diagnose (Spek 2014). Eerder onderzoek concludeerde dat 30 % van de kinderen een gemiddelde tot hoge intelligentie had. Ander onderzoek liet hierbij resultaten zien van 45% (Fombonne 2005; Baird 2005 geciteerd in Spek 2014).

Een andere studie schat zelfs dat 50-80% van de ASS’ers een gemiddeld tot hoge intelligentie heeft (Delfos&Gottmer, 2008). Hiervan zou 15% vrouw zijn (Fombonne, 2005). Dat betekent dat er 16.000 vrouwen zijn met autisme met een gemiddelde tot hoge intelligentie in Nederland. Latere schattingen houden rekening met een grotere groep vrouwen. Mogelijk zou de man-vrouw verhouding zelfs 2 op 1 zijn. (Gould&Ashton) Smith 2011). Autisme bij vrouwen wordt niet altijd gezien in de diagnostiek.

In de DSM IV ging men ervan uit dat al op jonge leeftijd het autisme gezien moest worden in de vorm van probleemgedrag. Soms echter uiten problemen zich pas op latere leeftijd.
Een beschermende factor in de kindertijd kan zijn intelligentie en/of een gestructureerde omgeving. Dan kan het gevolg zijn dat er in de kindertijd relatief weinig problemen waren. De DSM 5 stelt dat een deel van de mensen met ASS pas op latere leeftijd problemen gaat ervaren wanneer er meer van ze gevraagd wordt.
De DSM 5 heeft het mogelijk gemaakt om op latere leeftijd de diagnose ASS te stellen.
In de DSM IV was er de diagnose PDD-NOS en deze was erg ruim.
In de DSM-5 worden de criteria duidelijk strenger gehanteerd.

Om een betrouwbaar beeld te krijgen van hoe het met een volwassene (met een vermoeden van autisme) gaat, en hoe hij of zij zich in de loop der jaren heeft ontwikkeld, wordt niet alleen de persoon zelf om informatie gevraagd, maar ook iemand die hem of haar goed kent. Daarnaast wordt er onderzoek gedaan naar autisme-kenmerken met een zogeheten ‘diagnostisch instrument’, bijvoorbeeld de ADOS, de ADI-R of DISCO. Aanvullend wordt er vaak onderzoek gedaan naar iemands zintuiglijke en/of neuropsychologisch profiel (geheugen, intelligentie, flexibiliteit en planning). Het diagnostisch traject wordt afgesloten met een verslag waarin ook een behandelvoorstel is opgenomen

Waar gaat dit blog over?

  1. Verschillen en overeenkomsten tot 4 jaar
  2. Van vier tot 12 jaar meisjes
  3. Van 12 tot 18 jaar meisjes\
  4. Volwassenen met autisme
  5. De verklaringsmodellen

1. Verschillen en overeenkomsten tot 4 jaar

2. Van vier tot 12 jaar meisjes

Welk gedrag kan dan opvallen?

  • Een vriendin (claimen)
  • Weinig vriendschappen, maar meer dan bij jongens met ASS
  • Spelen met jongere kinderen
  • Sociaal contact kost veel energie
  • Prikkelgevoeligheid
  • Huisdier als maatje
  • Verlegen, naïef
  • Paarden, lezen, popidool, soap, dagboek

3. Van 12 tot 18 jaar meisjes

4. Volwassenen met autisme

We hebben te maken met een overactief brein (alarmknop blijft aanstaan). We willen wel het alarmsysteem uit zetten, maar weten de code niet. Hoe harder we ernaar zoeken hoe luider het alarm blijft afgaan met als resultaat geen rust en ontspanning.

Op slapen heb je geen controle. Het heeft alles te maken met je natuurlijke bioritme. We noemen dit een biologische klok omdat het gaat om 24 uur slaap en waakritme. Deze biologische klok zit in ons brein en wel in de hypothalamus. Dat is het regelcentrum van de hersenen. De hypothalamus regelt niet alleen je slaap en waak ritme, maar ook je bloeddruk, ademhaling, lichaamstemperatuur, honger en dorst en de regulering van je emoties en gedrag om ons voort te planten. De biologische klok (hypothalamus) zorgt er dus voor dat al deze functies volgens regelmaat verlopen. Je hebt daar niet zoveel invloed op behalve als je echt ongezonde dingen gaat doen zoals drugs gebruiken of nooit meer buiten komen waardoor je geen daglicht kunt opnemen. Daglicht is enorm belangrijk om goed te kunnen slapen.

Uit diverse onderzoeken weten we dat het hormoon melatonine een grote rol speelt bij slaap.  Het wekt slaperigheid op en handhaaft het dag- en nachtritme. De regulatie van melatonine in het lichaam blijkt genetisch bepaald. Bij mensen met autisme werken bepaalde genen anders, waardoor er een melatoninetekort kan ontstaan. Hierdoor ontstaan vervolgens slaapproblemen. Echter een melatonine tekort komt niet zo vaak voor. Begin dus niet meteen met tabletten te slikken, maar ga met je slaapprobleem naar de huisarts. Meestal is de oorzaak een overactief ofwel hyperalert alarmsysteem. Je hersenen kunnen zich niet ontspannen. Ontspanning is nodig om het alarmsysteem uit te doven.

5. De verklaringsmodellen

Er is vooralsnog geen eenduidige verklaring voor het feit dat mensen met autisme een gedrag vertonen dat anders is dan gemiddeld of gewoonlijk. Het is ook nog onduidelijk of er één verklaring is voor de verschillen binnen het autistisch functioneren.

  • De bekendste theorie is die van de gebrekkige theory of mind (ToM), die stelt dat het kernkenmerk van autisme een gebrek is in het vermogen om de intenties van anderen, en misschien zelfs van zichzelf, te begrijpen (Frith & Happe 1999).
  • Een andere voorstelling is die van de zwakke centrale coherentie, wat betekent dat autistische mensen het geheel of de context minder goed zien (Frith 2003). Deze zwakke coherentie zou ook de problemen met ToM kunnen verklaren, en vormt dus een meer omvattende verklaring.
  • In recente studies neemt men specifieke sensoriële of cognitieve verschillen die mensen met autisme zelf benoemen in aanmerking, bijvoorbeeld de theorie van de intense wereld (Markram e.a. 2007); deze auteurs poneren een andere sensoriële gewaarwording als verklaring van het anders functioneren van mensen met autisme.
  • Een andere theorie is die van het verhoogd perceptueel functioneren (Mottron e.a. 2006), die stelt dat mensen met autisme een verhoogde visuele intelligentie hebben. Vanuit deze recentere theorieën, die autistisch gedrag proberen te verklaren vanuit een dieper neurologisch functioneren, probeert men dan te verklaren waarom mensen met autisme vaak problemen hebben met centrale coherentie, of met psychologische testen die de ToM proberen te onderzoeken.


Deze recentere theorieën lijken goed aan te sluiten bij wat mensen met autisme zelf vertellen (Pentzell 2013). De invoering in de dsm-5 van het criterium ‘hyper- of hyporeactiviteit op zintuiglijke prikkels of ongewone belangstelling voor de zintuiglijke aspecten van de omgeving’ kan men dan ook beschouwen als een poging om deze ervaringen ook een plaats te geven in het classificatiehandboek.

Marline Pijler


Bronnen
Annelies Spek: Autismespectrumstoornissen bij volwassenen
Caroline Schuurman: Cognitieve gedragstherapie bij autisme